She brings a cigarette to her lips and takes a long cool drag on her way out. A trail of blue smoke is left behind.

Het werk van Hendrik-Jan Hunneman dient zich, staande in de Tilburgse Deprezhal, aan als een plotselinge sensatie die je de ruimte anders gewaar doet worden. Vervat in de vloer, voegt het zich moeiteloos naar de omgeving die het omringt. De lichtinval bepaalt mede de wisselende verschijningsvorm. Het kunstwerk is niet in één oogopslag te vangen, ongeacht de plek waar je je in de hal bevindt. Wanneer je de fabrieksruimte binnengaat, stap je ook het werk in; je bent geen letterlijke ‘toeschouwer’ die van een zekere afstand toe-kijkt en het op zich kan laten inwerken. Subtiel spreidt het zich uit over de vloer, begrensd door de muren van de Deprezhal. Soms, wanneer je er geen glimp van opvangt, lijkt het werk te zijn verdwenen, maar met de juiste weerkaatsing lichten de lijnen op en onderscheiden zich van de grijze betonnen vloer. Op zo’n moment is het kunstwerk weliswaar bescheiden, maar ook onontkoombaar aanwezig.

Als tentoonstellingsruimte en uitgangspunt voor het maken van dit werk diende een negentiende-eeuwse fabrieksruimte. Samen met acht andere kunstenaars nam Hunneman deel aan Aslijnen op Kopvlakken, een groepstentoonstelling in de Tilburgse Deprezhal. In deze hal bedekt en egaliseert een nieuwe laag beton de sporen en onregelmatigheden die de oorspronkelijke fabrieksvloer in de loop der jaren heeft opgedaan. Om krimp en uitzetting zijn gang te kunnen laten gaan, zijn in het gladde beton naden gefreesd. Zes langgerekte voegen staan horizontaal en verticaal loodrecht op elkaar en de vier buitenmuren. De naden passeren de stalen kolommen, die de dakconstructie ondersteunen. De korte diagonale voeg, die samen met de langgerekte voegen een driehoek vormt rond iedere pijler, is de enige variatie op dit rechthoekige lijnenspel. Het patroon vormt een raster, en deelt tegelijkertijd de betonnen vloer op in een aantal vlakken. De overwegingen voor het aanbrengen van deze voegen zijn praktisch en functioneel van aard geweest, niet esthetisch. Hunneman plaatste in het zo ontstane lijnenpatroon dunne spiegelende stroken, die de voegen opvullen. Ondanks het bestaande contrast tussen het matte beton, het verweerde karakter van de ruimte en het gladde, glanzende perspex, absorberen de millimetersdunne voegen het gebouw. Het reflecterende karakter maakt de naden immaterieel; ze lossen op in de vloer. Dit veroorzaakt niet alleen een samenvloeiing van oude en nieuwe bouwelementen, maar ook weerkaatst en verbindt het spiegelende materiaal de overige werken in de Deprezhal. Door een minimale toevoeging wordt de vloer tot een weergave van zijn directe omgeving, waarmee Hunneman bij de toeschouwer het besef van de ruimte versterkt, maar tevens het betrekkelijke karakter van de eigen waarneming toont.

Spiegels zouden het beeld van alles wat ze weerspiegelen letterlijk versterken. De Deprezhal wordt samen met de verschillende kunstwerken – hangend, staand, aangebracht met krijt op de muur, of veelkleurig geprojecteerd op een paneel – naar de dunne vloernaden getrokken om er gebundeld weer uit te komen. De reflectie van de vrouw in de titel van het werk is daarentegen juist wazig en summier: slechts blauwe sigarettenrook herinnert aan haar aanwezigheid. Het contact, als het er al was, is vluchtig, zoals de rook die achterblijft. Een echte ontmoeting vindt niet plaats. Maar de smalle spiegelende naden geven bij nader inzien ook slechts een glimp van wat zich om hen heen bevindt. Ze laten niet zien wat je toch al zag – veelvormige kunstwerken, een oude fabriekshal, mogelijke andere toeschouwers – maar draaien de beelden om en houden een krachtiger werkelijkheid verborgen, alsof onder de betonnen vloer een tweede ruimte schuilgaat. Wat de naden laten zien is niet meer dan een zinsbegoocheling. She brings a cigarette to her lips and takes a long cool drag on her way out. A trail of blue smoke is left behind. Ook de mysterieuze ‘zij’ die alle aandacht naar zich toetrekt in de titel van Hunnemans werk, geeft zichzelf niet prijs. Ze is slechts een moment aanwezig, en verdwijnt dan, weg uit de ruimte.

Noor Mertens 2008